Biografie
Vroege jeugd
Lucas’ vader was een Leuvenaar, zijn moeder een Hasseltse. Met zijn diploma algemene geneeskunde verhuisden ze naar Utrecht waar vader zich specialiseerde in de pediatrie. Tijdens hun verblijf van vijf jaren is Lucas geboren, oudste zoon en genoemd naar de evangelist, patroon van de dokters, zoals vader en de kunstenaars zoals moeder. terwijl hij het voorbeeld moest geven: vader opvolgen of missionaris worden, werden zijn schooljaren eerder één grote janboel. Hij vloog van school naar school, hij had conflict met alles wat macht oneerlijkheid en onrecht was. Hij haalde uiteindelijk wel zijn diploma middelbaar onderwijs maar stond op eigen benen en was hij als volwaardige hippie in Gent gaan wonen.
Gentse periode
Lucas richtte ze zijn leven eerder in functie van zijn droom veearts te worden in, zoals zijn vakantieverblijven bij dierenarts Miel Derde. Hij schreef zich ook in voor Diergeneeskunde, maar de combinatie van werken en studeren werd te veel. Zijn ‘opleiding’ ging op een andere manier verder: hij werkte bij antiquair Berkovitch (wat zijn bijnaam ’ Luc Antiek’ opleverde), begon de studie Moraalwetenschappen, deed weekendwerk bij een taxibedrijf. Bij garagist André, ‘Dries’ De Corte, nummer drie van zijn onbewuste leermeesters, leerde hij lassen. Hij kocht een chalumeau acetyleen-zuurstof die uitgroeide tot zijn liefste penseel, één dat vormen opbouwt in ijzer. Die studentikoze periode eindigde met de geboorte van Heleen. Hij verliet uiteindelijk de universiteit en verloor een gezin. Eén activiteit bleef overeind: de lessen smeden en boetseren in de academie Anderlecht.
Hij werkte vervolgens kort voor het Circus Van Vlaanderen en trok gedurende meerdere jaren regelmatig naar de Auvergne om voor vrienden en kennissen te klussen. Daar ontmoette hij Guido Hulsens, een blokfluitist die zelf zijn instrumenten maakte, en andere bouwers. Zo werd hij sleutel- en kleppenmaker, een ambacht van goudsmederij waar hij zijn bestaande vaardigheden leerde om te bouwen tot miniatuurniveau.
In 1980 werd hij hoofd van de technische dienst op Sint Jacobs. Zo bouwde hij in ‘83 de “Vlieger”. Tot 1987 realiseerde hij meerdere grote projecten. Wanneer zijn relatie op de klippen loopt, verdwijnt Lucas eind ‘88 uit Gent, na het scheppen van zijn eerste sculptuur “Stervende Koe”.
Oosterzele
In ’92 trekt Lucas in de bronsgieterij van Bert Ghysels. Hij werkt er aan nieuwe beelden in ‘cire directe’ en kreeg, opnieuw door kijken, de stiel onder de knie. In ‘93 landt hij weer in Oosterzele. De bronzen Duitse Herder is ondertussen verkocht, de bronzen bizon staat in de Zoo en de Pelikaan gaat richting Antwerpse Diamant Club. Daardoor kon hij terug een huis huren, waar hij uiteindelijk twintig jaar woonde. Een nieuwe episode dient zich aan in 2002, wanneer zijn organisatie van de Multi-Culti-Art-catwalk met verschillende scholen en een jeugdbeweging uitmondt in een nieuwe relatie en in 2003 een dochter Jelke en Jade in 2008. In datzelfde jaar realiseerde Lucas zijn monumentale “Vleermuis” voor een tentoonstelling in het park van Cons-La-Grandville. In 2015 scheidt Lucas, verliest zijn woning en kan alleen in een rijhuisje zonder werkruimte wonen. Twee vrachtwagens materiaal worden afgevoerd, de Vlieger wordt gestockeerd bij een vriend en hij breekt zelf, PTSD. Pas eind 2017 vindt hij een woonst met atelier.
Op de trein
Grote verhalen zijn er in de volgende jaren, tot op vandaag niet geweest. Lucas bracht ze in een soort kluizenaarschap door, veel mensen zijn uit zijn leven verdwenen, of dood, of vervreemd. Binnen zijn persoonlijk gevormd moreel systeem als vrijdenker kan hij zichzelf wel recht in de spiegel kijken. Hij zit al een paar jaar terug goed in zijn vel, de gaten in zijn creatief vat zijn terug dichtgelast, zijn voornaamste zorg is financieel kunnen blijven bijdragen aan het materieel welzijn van zijn kinderen.











