Megasculpturen
Vanuit een bepaalde onvrede met bestaande overdekkingen kreeg Lucas begin jaren ’80 de behoefte om een ander ontwerp uit te denken. De architecturaal-constructieve behoefte leeft zeer sterk in Lucas. Parallel met de ontwikkeling van beelden blijft hij structuren ontwerpen.
De problemen hierbij bleken groot. Het groot aantal technische eisen maakte het erg moeilijk om tegelijkertijd én buiten het gewone te blijven én een toch zo eenvoudig mogelijke structuur te bekomen. Omdat een beeldhouwer liever voorrang geeft aan het esthetische rezen er bovendien pijnlijke combinatorische moeilijkheden.
Op inhoudelijk vlak zocht Lucas naar een driedimensionale plastische vertaling van begrippen uit de muziek, zoals toon, klank, kleur, ritme, spel, … vanuit een vormelijke tabula rasa, in een plastisch resultaat dat alleen naar zichzelf verwijst. Vandaar ook problemen met de naamgeving ‘podium’.
Materieel behoudt hij het principe van het bouwen van in verhouding uiterst goedkope constructies, zonder de hedendaagse materialen en mogelijkheden te verwaarlozen. Door sterk met de materialen zelf betrokken te zijn, vertrekt hij ook automatisch vanuit die materialen als intrinsieke bouwsteen van het resultaat. Zo worden deze materialen gebruikt waar ze onvervangbaar worden en worden ze hierdoor in hun essentie benadrukt.
Kaaitheater. 1985
Lucas kreeg de uitnodiging om deel te nemen aan het Kaaitheaterfestival van ’85. Hugo De Greef van de Ancienne Belgique gaf hem de opdracht om een installatie te ontwerpen in hun vernieuwde ruimte, helemaal in staal en egaal donkerrood.
“Na erg diep zoeken en met de foto’s van Carlos Dekeyrel bekwam ik eindelijk een ontwerp. Mét tekening deze keer. En zeer uitzonderlijk maakte ik een maquette op basis hiervan.”
Een van de kenmerken van theater, illusie, vormde de basis van een totaal illusoire ‘machine’, passend bij de industriële look van het gebouw, een driedimensionale uitbeelding van de absurditeit, de illusie van de machtswellust. Zijn Implosie-machine trok met kabels en katrollen de boven- en onderkant van de omgevende ruimte naar zich toetrekt en vernietigt uiteindelijk ook zichzelf. Het toestel, negen maal veertien meter en twee meter hoog, hing met kabels aan het plafond, een structuur van stalen balken met daarin drie kraanachtige plexi-vormen met een inox skelet, onderling verbonden met schakels in dezelfde materialen, het geheel totaal doorzichtig. Centraal onderaan een geabstraheerde “winch”. Vanuit het kader vertrokken dikke scheepstouwen met levensechte katrollen doorheen het gebouw, naar de ‘Bar Américain’ en de hoofdingang.
“Draaide men aan de winch met een minimale krachtinspanning werd deze kracht steeds groter, zoals tandwielen in de fiets, totdat het geheel zichzelf vernietigde evenals de ruimte waarin ze was bevestigd.”
Vlieger. Gentse Feesten 1983
In ’83 realiseerde Lucas zijn eerste podiumoverdekking ‘De Vlieger’, de openingssculptuur van zijn oeuvre. Het werk kreeg enorm veel belangstelling in de pers. Ook werd het opgenomen in het archief van het ‘Institut für leichte Flächentragwerke’ van Stuttgart.
Vlinder. Gentse Feesten 1986
Een ontplooiing in twee delen aan een schuine 11 m hoge zevenhoekige stalen mast, toelopende van 70 cm naar een vlakke top van 30 cm. Deze structuur van mast en vier ‘zwevende driehoeken’ was op een grondvlak van 18 ton aaneengeboute stalen balken onderling verbonden met kabels.
De berekeningen waren van Broeder Jules, docent architectuur aan Sint Lucas Gent. Hij heeft er drie heel lange dagen aan gewerkt. Bij gebrek aan degelijke zeilen werd – na een complete regenramp tijdens het tweede jaar – het podium naar de schroothoop afgevoerd, meteen het einde van de zevenjarige samenwerking van Lucas met vzw Trefpunt.
Waterlelie. Gentse Feesten 1987 - Ontwerp
Eenvoud en denken vanuit primaire realiseerbare en betaalbare mogelijkheden liggen ook hier weer aan de basis. De bedoeling is binnenin ruimte te scheppen en er tegelijk monumentaal uit te zien: een zo groot mogelijke overdekking met zo weinig mogelijke materiaal. Deze functioneel vreemde organische constructie, gemakkelijk realiseerbaar, herdenkt de geijkte schoendoos van een podium en spreekt. Het doek achteraan, “infini”, suggereert de oneindigheid. 41 asymmetrische kaders in gegalvaniseerde stellingbuis in verschillende heldere kleur worden door een ondoorzichtig wit polyesterzeil over en langs gevat. De structuur houdt zichzelf in stand.
Meccano. Gentse Feesten 2002
Een functioneel kunstwerk maken vereist de combinatie van esthetische normen, zoals originaliteit, authenticiteit en schoonheid, en puur technische eisen. In dit geval ging het ook om een concept voor een specifieke locatie. In het ontwerp zijn elementen van de drie belangrijkste gebouwen geïntegreerd. De conische zuilen en het monumentale hoge gewelf refereren naar de kathedraal. Het centrale asymmetrische dakpaneel suggereert het schervengeheel, ontstaan door de opengespatte energie van licht en menselijke beweging. Deze asymmetrie is consequent doorgetrokken in alle andere panelen zoals de steeds wisselende glasramen van de kerk. Het belfort is vertegenwoordigd in de verwijzing naar de draak: de spitse muil, de vleugels, de staart en de poten, weliswaar binnen de strenge normen van het derde gebouw, het NTG. Omdat het oog overdag ook wat wil, werd het een veelkleurige compositie van grillige metalen structuren in de speelgoed-atmosfeer van een lichtvoetige reuzenmeccano.
Night of the Proms - Vlieger 1985-1986 | Instrument 1987-1988 | Vleermuis 1989
De ontwerpen voor de Night of the Proms waren niet louter functioneel, niet direct decoratief, maar eerder een plastische toevoeging, een monumentale begrijpelijke sculptuur in harmonische samenspraak met alle andere facetten van het feest. Bij dergelijke structuur zijn het technische en situationele normen van groot belang. De uitdaging is er zo efficiënt mogelijk aan te voldoen binnen de grenzen van de artistieke integriteit, de esthetische en ethische waarden die Lucas zich voorhoudt. “Ook in mijn non-functionele beeldhouwwerk ervaar ik evenzeer die vrijheid binnen haar begrenzingen die er misschien wel de essentiële schoonheid van uitmaakt.” Een werk verkrijgt zijn specifieke identiteit juist door alle normen en begrenzingen die eraan worden gesteld, en naarmate het er beter aan beantwoordt, verkrijgt het er zijn rijkdom door. De belangrijkste technische eis van de optimale klankweergave in een akoestisch bijzonder moeilijke ruimte (een schelpvormige constructie in geluid weerkaatsend materiaal) beperkte de esthetische vrijheid en was sterk bepalend voor de uiteindelijke vormg.
Het vleugelvliesachtige van de vlieger, het instrument en de vleermuisvleugel luisteren telkens naar: mooi, eenvoudig in vorm en materiaal, herkenbaar, communicatief.
“Ik heb altijd het gevoel gehad dat de dingen die ik maak voor mij zijn tot op net ogenblik dat ze af zijn, dan behoren ze zichzelf toe en aan iedereen die ze graag ziet. In dit geval als deel van het gehele Proms-gebeuren.”
Vleermuis. Cons-la-Grandville 2008
Via zijn vriend graaf Augustin d’Ursel kreeg Lucas in 2008 de opdracht voor een zomertentoonstelling in het park van een prachtig kasteel in Noord-Frankrijk. Een 15.000€ grote subsidie besteedde hij aan een monumentale ‘Vleermuis’ (20 meter breed en hoog) in staal, zeildoek en kabels. De bedoeling was om een eyecatcher te creëren die volledig aansloot bij de oeroude zeldzame bomen, het wild gehouden park en de eeuwenoude gebouwen. Het monument moest ook universeel genoeg zijn om in gelijk welke open ruimte te worden opgesteld. Een sfeer van dier, zeilschip, vlieger, organisch en anorganisch. Het werd een monumentale synthese van jaren ervaring met monumentale functionele. De onvervangbaarheid van staal en thermisch verzinken gaan hier hand in hand met de vorm en maken er samen het wezen en de kracht van uit, in de kern van het ontwerp evenzeer gedacht vanuit het materiaal zelf als vanuit de zuiver esthetische scheppingsdrang. Meer dan dertig jaar omgang met staal en het steeds verder verkennen van de ziel ervan hebben tot dit resultaat geleid.

































